|
STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN
Strafrechtelijke aansprakelijkeid - Rechtspersonen - Cumulatie - Artikel 5 van het Strafwetboek - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Hoedanigheidsvereiste bij samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheid tussen rechtspersoon en natuurlijke persoon onder oud artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek
Oud artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek omvat geen voorwaarden i.v.m. de hoedanigheid of de vertegenwoordigingsbevoegdheid in hoofde van de geïdentificeerde natuurlijke persoon die het misdrijf heeft gepleegd.
|
DROIT PÉNAL - PRINCIPES GÉNÉRAUX
Responsabilité pénale - Personne morale - Cumul - Article 5 du Code pénal - Cause d'excuse absolutoire
Les dispositions de l'article 5, alinéas 1er et 2, du Code pénal, ne requièrent pas, pour l'applicabilité de la règle de décumul prévue à l'alinéa 2, que la personne physique identifiée ait été investie d'une qualité bien déterminée ou du pouvoir de représenter la personne morale
|
1.Het geannoteerde arrest heeft betrekking op een cassatieberoep tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank van Leuven van 3 januari 2019.
De appelrechters dienden zich uit te spreken over de samenloop van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon en diens werknemer, een vrachtwagenbestuurder, op basis van het “oud” artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek. Met “oud” wordt bedoeld artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek in de versie zoals het bestond vóór de wijziging door de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft. [2] De nieuwe regeling trad in werking op 30 juli 2018.
2.Voor 30 juli 2018 luidde de toepasselijke regeling bij dergelijke samenloop onder artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek als volgt:
“Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.”
3.De wet van 11 juli 2018 schafte deze oude regeling af. [3] Sinds 30 juli 2018 gelden bij samenloop van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en deze van een natuurlijke persoon de normale regels van de strafbare deelneming. Beiden kunnen samen worden veroordeeld voor zover de feiten hen verwijtbaar zijn. Artikel 5, derde lid van het Strafwetboek luidt sinds 30 juli 2018 immers als volgt:
“De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.”
4.Bij een vergelijkende analyse van de teksten valt meteen op dat hoewel de nieuwe regeling minder ingewikkeld is, ze wel strenger is. Dit impliceert dat gelet op artikel 2 van het Strafwetboek, de nieuwe regeling maar zal gelden voor feiten gepleegd vanaf 30 juli 2018. [4]
Voor feiten daterend vóór 30 juli 2018 geldt dus nog steeds de oude decumulregeling. Die decumulregeling wordt toegepast bij een samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon als blijkt dat het misdrijf of de misdrijven waarvoor zij beiden worden vervolgd in concreto zijn gepleegd uit onachtzaamheid (gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid). In dat geval zal de rechter enkel diegene die de zwaarste fout heeft gepleegd, natuurlijke persoon of rechtspersoon, veroordelen. [5] De toepassing van de decumul vereist overigens niet dat beiden tegelijkertijd worden vervolgd. [6]
5.Het geannoteerde arrest heeft betrekking op feiten die dateren van voor 30 juli 2018 waardoor de correctionele rechtbank te Leuven nog toepassing moest maken van de oude decumulregeling.
6.Uit het aangevoerde cassatiemiddel blijkt dat de appelrechters hadden beslist geen toepassing te maken van de decumulregeling omdat de natuurlijke persoon, een vrachtwagenbestuurder, een werknemer was die de rechtspersoon (eiser in cassatie) niet kon vertegenwoordigen.
7.Eiser in cassatie voerde in zijn cassatiemiddel aan dat oud artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek voor de toepassing van de decumulregel geen voorwaarden stelt i.v.m. de hoedanigheid of de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die het misdrijf fysiek heeft gepleegd. Bijgevolg voegde het bestreden vonnis volgens eiser aan de vermelde bepaling een voorwaarde toe die zij niet bevat.
8.Het Hof van Cassatie trad eiser terecht bij. Nergens vereist de tekst van het oude artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek dat de geïdentificeerde natuurlijke persoon beschikt over een bepaalde hoedanigheid, nog minder dat die de bevoegdheid zou hebben om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Het volstaat dat de geviseerde natuurlijke persoon persoonlijk schuld treft en dat hij invloed had of kon hebben op het strafbaar handelen van de rechtspersoon. [7]
9.Uiteraard tastte deze onwettigheid enkel de straf aan en niet de schuldigverklaring. Immers is het intussen genoegzaam bekend dat de toepassing van de decumulregeling een strafuitsluitende verschoningsgrond omvat en de schuld onverlet laat. [8] De strafrechtelijke fout verdwijnt niet maar heeft enkel tot gevolg dat de begunstigde ervan geen strafrechtelijke veroordeling oploopt. [9] Bij een samenloop leidt een in concreto onopzettelijk handelen tot een strafuitsluitende verschoningsgrond t.a.v. de schuldige die de lichtste fout beging. De burgerlijke aansprakelijkheid van diegene die de lichtste fout beging, blijft echter onverminderd overeind en de strafrechter blijft bevoegd om zich hierover uit te spreken. [10] Vandaar dat het Hof van Cassatie besliste tot een partiële vernietiging van het bestreden vonnis, in zoverre het de eiseres veroordeelt tot straf, bijdragen en kosten.
| [1] | Advocaat balie Brussel. |
| [2] | BS 20 juli 2018. |
| [3] | Voor een uitgebreide analyse, cf. P. Waeterinckx, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon. Moet de regeling i.v.m. de lasthebber ad hoc onder artikel 2bis V.T.Sv. 'op de schop' omwille van de afschaffing (?) van de decumulregel onder oud artikel 5, lid 2 Sw.”, TBH-RDC, 2019/8, 949-971; T. Decaigny, “De wetten van 11 juli 2018 [Strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersonen - Straf onder elektronisch toezicht - Europees aanhoudingsbevel]”, T.Strafr., afl 2018/5, p. 314; P. Waeterinckx en R. Van Herpe, “De wettelijke regeling i.v.m. de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon ontdoet zich na 19 jaar van twee groeipijnen”, NC 2018, afl. 6, n° 56, p. 559. |
| [4] | F. Kuty, “La réforme de la responsabilité pénale des personnes morales”, RDPC, 2018/11, p. 1050. Zie voor uitgebreidere analyse: M.-J. Horseele, S. Van Dyck en V. Franssen, “Requiem voor de decumulregel (oud art. 5, lid 2 Strafwetboek)”, T.Strafr. 2020, afl. 1, n° 29, p. 27-28. |
| [5] | Cass. (2de k.) 8 november 2006, P.06.0060.F-P.06.0765.F, S.A., H., I. e.a. / La Région wallonne; association pour le loisir et le renouveau de l'histoire des amis du passe / La Région wallonne, T.Strafr. 2007, afl. 4, 261, noot. |
| [6] | Voor een recent overzicht, cf. P. Waeterinckx, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon. Moet de regeling i.v.m. de lasthebber ad hoc onder artikel 2bis V.T.Sv. 'op de schop' omwille van de afschaffing (?) van de decumulregel onder oud artikel 5, lid 2 Sw.”, TBH-RDC, 2019/8, 960-967. |
| [7] | Gent 1 juni 2012, TMR 2013, 21. Zie voor uitgebreidere analyse over de geviseerde natuurlijke personen: M.-J. Horseele, S. Van Dyck en V. Franssen, “Requiem voor de decumulregel (oud art. 5, lid 2 Strafwetboek)”, T.Strafr. 2020, afl. 1, n° 7, p. 7-8. |
| [8] | Cass. 3 oktober 2000, T.Strafr. 2000, 263, met noot F. Deruyck en B. Spriet; Cass. 26 februari 2002, RW 2002-03, 134, met Concl. Adv. Gen. M. De Swaef; Cass. 5 maart 2002, RW 2003-04, 536, met noot P. Caboor en P. Waeterinckx; Cass. 30 april 2002, RW 2002-03, 748, met noot P. Popelier; Cass. 12 november 2002, NJW 2003, 130. Recentere beslissingen: Cass. (2de k.) 6 mei 2015, P.15.0379.F, Région wallonne, Le procureur du Roi de Mons, division Mons / M.G., Magi Container, NC 2016, afl. 2, 156, noot P. Waeterinckx; Cass. (2de k.) 22 oktober 2014, P.14.0980.F, D.R.W. / S.G., Dr.pén.entr. 2015, afl. 1, 37, Concl. Vandermeersch. |
| [9] | Cass. (2de k.) 29 juni 2016, P.16.0501.F, R.A., Gardiennage, protection, dissuasion, surveillance sprl, RW 2017-18 (samenvatting), afl. 27, 1051; M.-J. Horseele, S. Van Dyck en V. Franssen vergelijken dit met de situatie van verval van de strafvordering; zie M.-J. Horseele, S. Van Dyck en V. Franssen, “Requiem voor de decumulregel (oud art. 5, lid 2 Strafwetboek)”, T.Strafr. 2020, afl. 1, n° 26, p. 26. |
| [10] | M.-J. Horseele, S. Van Dyck en V. Franssen vergelijken dit met de situatie van verval van de strafvordering; zie M.-J. Horseele, S. Van Dyck en V. Franssen, “Requiem voor de decumulregel (oud art. 5, lid 2 Strafwetboek)”, T.Strafr. 2020, afl. 1, n° 26, p. 26; ook J. Vananroye en S. V an Dyck, “Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersoon en natuurlijke persoon bij de 'decumul' van artikel 5, tweede lid Sw”, TRV 2003, 441-466. |

