Actualités

Droit bancaire et financier

Het EHJ spreekt zich nogmaals uit over de gevolgen van onrechtmatige (wisselkoers)bedingen

In een arrest van 31 maart 2022 heeft het Europees Hof van Justitie zich nogmaals uitgesproken over de gevolgen van een onrechtmatig beding in een leningsovereenkomst waardoor het wisselkoersrisico bij de consument wordt gelegd.

Het geschil betrof een door een leningnemer-consument bij een Hongaarse bank gesloten leningsovereenkomst met variabele rente voor de aankoop van een voertuig. De overeenkomst was uitgedrukt in Zwitserse franken (CHF) maar de maandelijkse aflossingen werden omgezet in Hongaarse forint (HUF). De maandelijkse aflossingen werden dus vastgesteld in CHF en vervolgens omgerekend in HUF en het bij deze omrekening berekende wisselkoersverschil kwam ten laste van de leningnemer.

Bij het sluiten van die overeenkomst had de leningnemer een verklaring ondertekend, waarin deze er kennis van nam dat het wisselkoersrisico op hem (/haar/x) rustte en dat de toekomstige ontwikkeling van de wisselkoersen onvoorspelbaar was. Voorts bleek uit dit document dat wanneer de wisselkoers van de vreemde valuta ten opzichte van de HUF op de vervaldatum afweek van de bij het sluiten van de overeenkomst vastgestelde referentiewisselkoers, ook het verschil tussen de uitgiftekoers en de aflossingskoers ten laste van de leningnemer kwam.

N.a.v. van het oplopen van een betalingsachterstand werd de leningsovereenkomst door de bank ontbonden en werd de leningnemer in rechte aangesproken voor de betaling van de verschuldigde achterstallen. De leningnemer voerde aan dat de clausules in de betrokken leningsovereenkomst waarbij hij het volledige wisselkoersrisico moest dragen, oneerlijk waren in de zin van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen en betwistte dat de informatie over het wisselkoersrisico duidelijk en begrijpelijk was. Hij vorderde daarom op grond van ongerechtvaardigde verrijking de terugbetaling van onverschuldigde sommen.

Met betrekking tot de gevolgen van  ongeldige leningsovereenkomsten had de Kuria (de hoogste rechterlijke instantie in Hongarije) een niet-bindende opinie uitgevaardigd waarin zij aangeeft hoe de lagere rechtbanken de leningsovereenkomst in een dergelijk geval toch geldig kunnen verklaren (hetzij door de lening te beschouwen als uitgedrukt in HUF met een interestvoet gebaseerd op deze die gold op het moment van contractsluiting verhoogd met een marge, hetzij door een maximumwisselkoers te bepalen). In hoger beroep werd een prejudiciële vraag gesteld aan het Europees Hof van Justitie teneinde deze te laten vaststellen of een dergelijke opinie verenigbaar was met de Richtlijn Oneerlijke Bedingen en zo niet, of deze richtlijn de mogelijkheid biedt tot herstel in de toestand zoals deze bestond voor de sluiting van de lening.

In haar arrest geeft het Europees Hof van Justitie aan dat :

  • de richtlijn zich niet verzet tegen bindende beslissingen van hoogste gerechtshoven aangaande de manieren om de richtlijn toe te passen;
  • de richtlijn zich er ook niet tegen verzet dat de nationale rechter een onrechtmatig beding vervangt door een nationale bepaling van aanvullend recht indien de ongeldigheid van het onrechtmatig beding de nationale rechter zou verplichten tot de nietigverklaring van de overeenkomst in zijn geheel;
  • in afwezigheid van een dergelijke aanvullende bepaling van nationaal recht, de niet-bindende opinie van de hoogste rechterlijke instantie, waarvan de lagere rechtbanken kunnen afwijken, op zich niet kan worden geacht de nuttige werking van de richtlijn te verzekeren door te waarborgen dat de door het oneerlijke beding benadeelde personen volledig worden beschermd.

Het Europees Hof van Justitie geeft verder aan dat in geval van een beding aangaande het voorwerp van de overeenkomst, die krachtens de richtlijn oneerlijk moeten worden verklaard, de richtlijn niet uitsluit dat een nationale rechter de partijen herstelt in de situatie waarin ze zich bevonden zouden hebben indien de overeenkomst niet zou zijn gesloten.

Met verwijzing naar het arrest Banca van 25 november 2020 wijst het Europees Hof van Justitie erop dat de bevoegdheden van de rechter echter niet verder mogen gaan dan “wat strikt noodzakelijk is om het contractuele evenwicht tussen de partijen bij de overeenkomst te herstellen en aldus de consument te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van de betreffende leningsovereenkomst zouden kunnen voortvloeien”. Het Hof geeft daarbij aan dat de nationale rechter, indien dat herstel niet mogelijk is, zich er in ieder geval van moet vergewissen dat de consument uiteindelijk in de positie verkeert waarin hij/zij/x zich zou hebben bevonden indien het als oneerlijk aangemerkte beding nooit had bestaan.

Régine Feltkamp

Comments are closed.