Actualiteit

Bank en financieel recht

Belgische verplichting best aangepast consumentenkrediet aan te bieden is verenigbaar met de Europese Richtlijn Consumentenkrediet

In een arrest van 6 juni 2019 heeft het Europees Hof van Justitie zich uitgesproken over een prejudiciële vraag betreffende de verenigbaarheid met art. 5, lid 6, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, zoals gewijzigd) van de bepalingen van de ten tijde van het geschil nog geldende Wet Consumentenkrediet, krachtens welke de kredietgever het krediet moet zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast aan de consument (art. 15, eerste lid, Wet op het consumentenkrediet, intussen art. VII.75 WER) en slechts een krediet mag toekennen indien hij er redelijkerwijs van overtuigd is dat de consument in staat zal zijn de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen (art. 15, tweede lid, Wet op het consumentenkrediet, intussen art. VII.77, § 2, eerste lid WER).

Het betrof een geval waarin de kredietnemer inriep dat de kredietgever de artikelen 10 e.v. van de Wet Consumentenkrediet had geschonden door hem een krediet aan te bieden dat te hoog was in verhouding met zijn inkomsten (en de twee hypothecaire leningen die hij naast het krediet nog moest afbetalen). De kredietgever riep in dat de ingeroepen Belgische bepalingen niet verenigbaar zijn met art. 5, lid 6, van Richtlijn 2008/48, volgens welke de consument (op grond van de door de kredietgever verschafte informatie) moet beoordelen of het krediet wenselijk is, zonder dat op de kredietgever een algemene verplichting rust om het best aangepaste krediet te zoeken.

Het Hof meent dat uit art. 22, lid 1, van Richtlijn 2008/48 weliswaar blijkt dat deze richtlijn voorziet in een volledige harmonisatie, zodat de lidstaten geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van die welke in die richtlijn zijn vastgesteld, maar dit neemt volgens het Hof niet weg dat de laatste volzin van art. 5, lid 6, van deze richtlijn de lidstaten bewegingsruimte biedt, aangezien deze tekst bepaalt dat zij „de wijze waarop en de mate waarin [aan consumenten] bijstand wordt verleend” door kredietgevers en in voorkomend geval door kredietbemiddelaars, kunnen aanpassen. Volgens het Hof vormt het voorstellen van het krediet dat het best beantwoordt aan de behoeften van de consument een vorm van aanvullende bijstand die door Lidstaten kan worden opgelegd, aangezien de professionele kredietverstrekker het best in staat is om uit zijn normale aanbod het krediet te bepalen dat het best is aangepast aan de behoeften van de consument.

Het Hof oordeelt in de tweede plaats dat art. 5, lid 6, en art. 8, lid 1, van Richtlijn 2008/48 zich niet verzetten tegen een nationale regeling (zoals de Belgische), op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

R.F.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *