Actualiteit

Algemeen handelsrecht

De derde-medeplichtige aan andermans contractbreuk hoeft niet noodzakelijk rechtstreeks gecontracteerd te hebben met de schuldige – Cass. 4 juni 2020

In een arrest van 4 juni 2020 (C.19.0070.N) boog het Hof van Cassatie zich over de voorwaarden voor derde medeplichtigheid aan andermans contractbreuk.

De vennootschap NACO had met een uitbater van een café een overeenkomst gesloten voor het plaatsen van een aantal speelautomaten en in de overeenkomst een exclusiviteitsclausule opgenomen, die o.a. inhield dat de uitbater geen andere gelijkaardige of aanverwante toestellen zou (laten) plaatsen. De uitbater verbond zich ertoe om bij een eventuele overdracht de verbintenissen vervat in de overeenkomst op te leggen aan de nieuwe uitbater. Bij overdracht liet de uitbater echter na om deze verbintenissen op te leggen aan de nieuwe uitbaatster, die vervolgens een exclusieve overeenkomst sloot voor de plaatsing van spelautomaten met een andere vennootschap, de NV Reflexion. NACO ging over tot dagvaarding van enerzijds de vorige uitbater wegens contractbreuk, en anderzijds  de nieuwe uitbaatster en Reflexion wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk.

Het Hof van beroep te Gent oordeelde dat Reflexion inderdaad kennis had, of minstens moest hebben, van de contractuele relatie tussen NACO en de vorige uitbater. Reflexion is als professioneel die goed vertrouwd is met de betrokken bedrijfstak tekort gekomen aan haar onderzoeksplicht door zich voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met de nieuwe uitbaatster niet te vergewissen of er in het café geen andere spelautomaten aanwezig waren. Door in die omstandigheden toch te contracteren met de nieuwe uitbaatser heeft Reflexion bewust meegewerkt aan de contractuele wanprestatie van de vorige uitbater.

Reflexion voerde als  voorziening in Cassatie aan dat énkel de derde die rechtstreeks deelneemt aan de contractbreuk en dus contractueel verbonden is met degene die de contractbreuk pleegt, aansprakelijk kan worden gesteld op grond van de theorie van derde-medeplichtigheid.

Het Hof van Cassatie verwerpt het middel en bevestigt de zienswijze van het Hof van beroep te Gent. Het Hof stelt dat “het niet noodzakelijk is dat de derde rechtstreeks met de contractuele schuldenaar heeft gecontracteerd, maar dat het volstaat het dat hij wetens en willens deelneemt aan de niet-nakoming van de verbintenissen door de contractuele schuldenaar”.

Daar waar in een eerder arrest van 29 juni 2012 het Hof van Cassatie oordeelde dat de “derde-medeplichtigheid de deelneming impliceert van een derde aan de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de niet-nakoming van de contractbreuk” wordt nu duidelijk gemaakt dat deze deelname niet noodzakelijk rechtstreeks met de contractuele schuldenaar gebeurt. In zijn conclusie voor het arrest van 29 juni 2012 had advocaat-generaal Werquin er reeds op gewezen dat een mogelijke derde medeplichtigheid zich niet beperkt tot een directe medewerking van de derde met degene die contractueel gebonden is, maar de derde ook op een indirecte manier aansprakelijk kan zijn als derde medeplichtige indien hij op welke wijze dan ook meerwerkt aan de wanuitvoering van een contractuele verbintenis. Hiertoe is niet noodzakelijk dat de derde rechtstreeks heeft gecontracteerd met de schuldige.

Comments are closed.