Actualiteit

Bank en financieel recht

Nationaal recht kan de uitsluiting van het herroepingsrecht bij overeenkomsten op afstand betreffende financiële diensten niet uitschakelen

Europees Hof van Justitie 11 september 2019, C-143/18 (Romano vs. DSL Bank)

In dit arrest van 11 september 2019, heeft het Europees Hof van Justitie zich uitgesproken over een prejudiciële vraag betreffende de interpretatie van artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 1, artikel 6, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, lid 2, onder c), en lid 6, alsmede van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (hierna “Richtlijn 2002/65”).

Het geschil betrof een op afstand gesloten krediet voor de aankoop van een privéwoning door twee consumenten met een Duitse bank, waarbij de vraag rees of de kredietnemers, nog altijd het herroepingsrecht konden inroepen, niettegenstaande de overeenkomst op uitdrukkelijk verzoek van de kredietnemer volledig was uitgevoerd, omdat de informatie over het herroepingsrecht zoals ontvangen ten tijde van de contractsluiting niet in overeenstemming was met de geldende Duitse regelgeving.

Uit de in het arrest weergegeven feiten blijkt dat de bank had aangegeven dat er geen herroepingsrecht gold omwille van de volledige uitvoering van de overeenkomst op uitdrukkelijk verzoek van de kredietnemers voordat gebruik werd gemaakt van het herroepingsrecht, daar waar volgens het Duitse recht (zoals geïnterpreteerd door het Bundesgerichtshof) voor consumentenkredietovereenkomsten het herroepingsrecht in dat geval niet is uitgeschakeld, ook al is de overeenkomst op afstand gesloten.

In het kader van dit geschil werd vooreerst aan het Hof gevraagd of het nationale recht in het licht van Richtlijn 2002/65 kan bepalen dat het herroepingsrecht niet vervalt indien de overeenkomst op uitdrukkelijk verzoek van de kredietnemer volledig is uitgevoerd voor de uitoefening van het herroepingsrecht. Het Hof stelt vast dat Richtlijn 2002/65 voorziet in een volledige harmonisatie van de daarin geregelde aspecten en dat voor het geval waarin het herroepingsrecht overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder c, van Richtlijn 2002/65 niet van toepassing is, i.e. wanneer de overeenkomst op uitdrukkelijk verzoek van de consument door beide partijen volledig is uitgevoerd voordat de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt, voormelde richtlijn geen bepalingen bevat die een lidstaat toestaan om in zijn nationale regelgeving te bepalen dat de consument wel beschikt over een herroepingsrecht. Het feit dat het Duits recht (zoals uitgelegd in diens nationale rechtspraak) in dat geval het herroepingsrecht niet uitsluit, is volgens het Hof dan ook in strijd met voormelde bepaling van Richtlijn 2002/65.

De tweede prejudiciële vraag waarover het Hof zich moest buigen was of de bank de kredietnemers voldoende had geïnformeerd over het herroepingsrecht door informatie te verschaffen die niet in overeenstemming is met het Duitse recht. Het Hof oordeelt dat een lidstaat in zijn nationale regelgeving aan een handelaar geen verplichting kan opleggen om de consument, voordat deze gebonden is door een overeenkomst op afstand of een aanbod m.b.t. een financiële dienst, informatie mee te delen die in strijd is met de dwingende bepalingen van Richtlijn 2002/65. Aangezien Richtlijn 2002/65 het herroepingsrecht uitsluit in het betrokken geval, heeft de handelaar die de consument in lijn hiermee informeert over het niet bestaan van het herroepingsrecht, volgens het Hof de consument voldoende geïnformeerd. Het Hof herinnert daarbij aan haar rechtspraak dat de perceptie van de gemiddelde consument van belang is, te weten die van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument.

Régine Feltkamp

Comments are closed.