Actualiteit

Insolventie

HvJ 14 november 2018, nr. nr. C296/17: de exclusieve bevoegdheid van de insolventierechtbank nader bekeken

Wiemer & Trachte is een besloten vennootschap met zetel te Dortmund en met een filiaal in Bulgarije.  Op 3 april 2007 wordt een insolventieprocedure geopend in hoofde van Wiemer & Trachte door het Amtsgericht, te Dortmund, en een voorlopig curator aangesteld.

Centraal in dit arrest staan transacties tussen de bestuurder van het Bulgaarse filiaal van de vennootschap Wiemer & Trachte en de heer Tadzher. Deze transacties bestonden uit het overschrijven van bepaalde bedragen van de rekening van Wiemer & Trachte naar de heer Tadzher voor reiskosten en beroepskosten. Echter, deze transacties vonden plaats op 18 en 20 april 2017 en dus na de opening van de insolventieprocedure. Bijgevolg stelt de vennootschap Wiemer & Trachte een vordering in ten aanzien van de heer Tadzher bij de Bulgaarse rechter (Sofiyski gradski sad) voor de terugvordering van deze gelden in de insolvente boedel. Hierbij rees de vraag of de Bulgaarse rechter de bevoegdheid had om over deze zaak uitspraak te doen, wanneer er reeds een insolventieprocedure is geopend bij het Duitse Amtsgericht.

Deze zaak beweegt zich doorheen het Bulgaarse rechtssysteem om uiteindelijk aan te belanden bij het Bulgaarse Hof van Cassatie (Varhoven kasatsionen sad). Dit Hof legt verschillende vragen voor aan het Hof van Justitie. Het Hof beperkt zich in zijn antwoord tot de eerste vraag:

Moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, voor een actio pauliana tegen een verweerder die zijn zetel of woonplaats in een andere lidstaat heeft, een exclusieve bevoegdheid is, dan wel of de curator tevens bevoegd is om een dergelijke actio pauliana in te stellen bij een rechter in de lidstaat waar verweerder zijn zetel of woonplaats heeft?

Het antwoord van het Hof neemt als startpunt de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van de lidstaat, waar het centrum van voornaamste belangen is gelegen, om de insolventieprocedure te openen (art. 3, lid 1 InsolVo). Het Hof gaat verder dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van alle vorderingen die rechtstreeks uit deze procedure voortvloeien en hiermee nauw samenhangen. Bij het instellen van dergelijke vorderingen heeft de curator niet de mogelijkheid om zijn vordering te brengen voor de rechtbank van een lidstaat waar de verweerder zijn zetel of woonplaats heeft. De actio pauliana valt immers binnen de werkingssfeer van de InsolventieVo (ro. 31). Deze verordening voorziet niet in een regel voor de toekenning van internationale bevoegdheid, op grond waarvan de gerechten van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks uit insolventieprocedures voortvloeien en daarmee nauw samenhangen (ro. 32). Bijgevolg is de bevoegdheid van de insolventierechtbank exclusief voor wat betreft vorderingen die rechtstreeks uit deze procedure voortvloeien en daar nauw verband mee houden, en dus van faillisementspaulianae (ro. 36).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *