Actualiteit

Having as author: Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

uw zoekopdracht wijzigen

Algemeen handelsrecht

Wettelijke interestvoet burgerlijke- en handelszaken zakt van 1,75% naar 1,50%

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

In burgerlijke en handelszaken wordt de wettelijke rentevoet overeenkomstig artikel 2, § 1 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest jaarlijks afgestemd op de marktrente. De wettelijke interestvoet voor 2022 werd vastgesteld op 1,50%. Dat maakte de Algemene administratie van de Thesaurie van de FOD Financiën bekend op 1 maart 2022 in het Belgisch Staatsblad. De interestvoet die van toepassing is in geval van betalingsachterstand bij handelstransacties (wet van 2 augustus 2002) blijft ongewijzigd en bedraagt 8% voor het eerste semester van 2022. Het percentage is al onveranderd sinds het tweede semester van 2016. Daarvoor bedroeg de interestvoet 8,5%. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Opnieuw verhoging van de rechtsplegingsvergoeding vanaf 1 april 2022

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

Krachtens artikel 8 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding zijn de basis-, minimum- en maximumbedragen gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen (basis 2004). Telkens wanneer het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden deze bedragen met 10 procent vermeerderd of verminderd. De vorige verhoging dateerde slechts van juni 2021. De hoge energieprijzen zijn de grote oorzaak van de alsmaar stijgende inflatie. Nu de index van de consumptieprijzen van maart 2022 (basis 2004) 10 punten boven die van de vorige verhoging uitstijgt, worden de bedragen uit voornoemd KB nogmaals met 10% verhoogd vanaf 1 april 2022. Bron tabel: Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Résolution (pour faute) pour les mêmes motifs que ceux invoqués dans une résiliation (avec préavis) antérieure - Cass 7 janvier 2021

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

Dans un arrêt 7 janvier 2021 (C.20.0258.F) la Cour de cassation s'est prononcée sur la possibilité d'une résolution (pour faute) d'un contrat pour les mêmes motifs que ceux invoqués précédemment pour résilier ce même contrat avec préavis. En l'occurrence il s'agissait d'une concession de vente à durée indéterminée (Livre X du Code de droit économique) mais les enseignements de l'arrêt devraient logiquement s'appliquer à tous les contrats synallagmatiques. Le 26 mai 2015, le concédant avait communiqué au concessionnaire les résultats d’un audit révélant des irrégularités commises par le concédant. A défaut de justifications fournies par le distributeur, le concédant lui avait notifié, le 26 août 2015, la résiliation du contrat, avec effet au 31 août 2017. Par citation du 14 septembre 2016, le distributeur avait assigné le concédant devant le tribunal de l'entreprise de Liège en vue d'obtenir, entre autres, sa condamnation au paiement d'une indemnité compensatoire de préavis et d'une indemnité complémentaire de rupture. Dans l'intervalle, un nouvel audit avait été réalisé et de nouvelles irrégularités étaient apparues. Eu égard à ces irrégularités, le concédant avait formulé une demande de résolution judiciaire dans la procédure en cours. Le premier juge avait déclaré non fondées tant la demande du distributeur que celle du concédant. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Un modèle harmonisé d’action collective dans tous les États membres - projet de directive relative aux actions représentatives dans le domaine de la protection des intérêts collectifs des consommateurs

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

Le 24 novembre 2020, le Parlement européen a approuvé le projet de directive relative aux actions représentatives dans le domaine de la protection des intérêts collectifs des consommateurs. Cette directive, qui fait partie du "New Deal for Consumers", fait suite à une récente série de scandales liés à la violation des droits des consommateurs par des multinationales. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Grenzen aan de derde-medeplichtigheid aan contractbreuk - Cass. 30 oktober 2020

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

De derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk concretiseert de tegenwerpelijkheid van het bestaan van overeenkomsten: derden moeten het bestaan en de gevolgen van een overeenkomst erkennen. Dit principe staat sinds de erkenning ervan in de rechtspraak op gespannen voet met de relativiteit van overeenkomsten gehuldigd in artikel 1165 BW. In een arrest van 30 oktober 2020 (C.20.0176) wijst het Hof van Cassatie op het verschil tussen een tegenwerpelijke overeenkomst (waarvan de derde het bestaan moet erkennen en respecteren) en een overeenkomst die de derde nadeel toebrengt en hem aldus niet tegenwerpelijk is, zodat er geen sprake kan zijn van derde-medeplichtigheid. De nv Parking Nova vertrouwde de uitbating van "Parking Station Zoo" toe aan de nv Beheerscentrale. De uitbatingsovereenkomst bevatte een aankoopverbod  op grond waarvan Beheerscentrale (en aanverwante vennootschappen)  zich tijdens de duur van de exploitatie moest onthouden van het aankopen van andere parkeerplaatsen. Klaarblijkelijk kocht Beheerscentrale in strijd met het verbod (wellicht naburige) parkeerplaatsen op van een aantal eigenaars. Deze eigenaar-verkopers werden door Parking Nova gedagvaard wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Eerste veroordeling van verkoopsweigering wegens misbruik van economische afhankelijkheid (nieuwe B2B wet) - Vz. Orb. Gent 28 oktober 2020

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

In een beslissing van 28 oktober 2020, wellicht een eerste toepassing van de nieuwe B2B wet van 4 april 2019, heeft de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Gent, zetelend zoals in kortgeding, een veroordeling uitgesproken steunend zowel op het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid (art. IV.2/1 WER), in werking getreden op 22 augustus 2020, als op het eerder bestaand algemeen verbod op oneerlijke markpraktijken tussen ondernemingen (art. VI.104 WER). Een Belgische onderneming actief in ontwerp en verhandeling van onder meer kinderkledij had eenzijdig en zonder aankondiging geweigerd om de bestellingen uit de wintercollectie 2020 te leveren aan een handelaar die een kleinhandelszaak uitbaatte. De weigering tot levering volgde op de onmiddellijke beëindiging van de handelsrelatie door de leverancier op grond van vermeende betalingsmoeilijkheden in hoofde van de kleinhandelaar. De leverancier verwees in dit verband naar zijn algemene voorwaarden die hem zouden toelaten de gehele bestelling en nog lopende overeenkomsten te annuleren indien het vertrouwen in de kredietwaardigheid van de klant geschokt wordt. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

De bewijslastverdeling tussen hem die de uitvoering van een verbintenis vordert en hem die de bevrijding van zijn verbintenis vordert - Cass. 7 september 2020

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

Artikel 1315 B.W. bepaalt: "Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht." In een arrest van 7 september 2020 (C.19.0147.N) sprak het Hof van Cassatie zich impliciet uit over de verhouding tussen de twee zinnen van artikel 1315 B.W. Het onderliggende geschil betrof een aannemingsgeschil waarbij de aannemer de betaling vorderde van vermeendelijk overeengekomen meerwerken en de opdrachtgever op zijn beurt beweerde dat deze werken of een gedeelte ervan niet werden uitgevoerd. Het Antwerpse hof van beroep kende de vordering van de aannemer toe aangezien "de opdrachtgever niet aantoont dat de aangerekende meerwerken niet werden uitgevoerd, noch dat de aangerekende prijs niet overeenstemt met de daadwerkelijk uitgevoerde werken aan de overeengekomen eenheidsprijzen". Om tot deze beslissing te komen hadden de appelrechters enerzijds vastgesteld dat de uitvoering van de uiteindelijke werken door de opdrachtgever aanvaard werden, maar anderzijds dat de opdrachtgever zowel de vorderingsstaat als de eindafrekening van de meer- en minderwerken geprotesteerd had. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Aanvangspunt interesten in geval van ontbinding koopovereenkomst - Cass. 18 juni 2020

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

In een arrest van 18 juni 2020 (C.19.0505/N) werd het Hof van Cassatie verzocht zich uit te spreken over het ogenblik waarop de nalatigheidsinteresten bij terugbetaling van de koopprijs wegens ontbinding van een koopovereenkomst beginnen te lopen. De verkoper voerde aan dat zij slechts gehouden is tot betaling van de interesten vanaf de ingebrekestelling, en bij gebreke daaraan, vanaf de dagvaarding. De kopers daarentegen meenden dat de verkoper zich reeds bij het sluiten van de koopoverenkomst schuldig gemaakt had aan de ernstige wanprestatie  door zich voor te doen als enige aandeelhouder-verkoper en de interesten derhalve vanaf dat ogenblik verschuldigd zijn. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

De derde-medeplichtige aan andermans contractbreuk hoeft niet noodzakelijk rechtstreeks gecontracteerd te hebben met de schuldige – Cass. 4 juni 2020

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

In een arrest van 4 juni 2020 (C.19.0070.N) boog het Hof van Cassatie zich over de voorwaarden voor derde medeplichtigheid aan andermans contractbreuk. De vennootschap NACO had met een uitbater van een café een overeenkomst gesloten voor het plaatsen van een aantal speelautomaten en in de overeenkomst een exclusiviteitsclausule opgenomen, die o.a. inhield dat de uitbater geen andere gelijkaardige of aanverwante toestellen zou (laten) plaatsen. De uitbater verbond zich ertoe om bij een eventuele overdracht de verbintenissen vervat in de overeenkomst op te leggen aan de nieuwe uitbater. Bij overdracht liet de uitbater echter na om deze verbintenissen op te leggen aan de nieuwe uitbaatster, die vervolgens een exclusieve overeenkomst sloot voor de plaatsing van spelautomaten met een andere vennootschap, de NV Reflexion. NACO ging over tot dagvaarding van enerzijds de vorige uitbater wegens contractbreuk, en anderzijds  de nieuwe uitbaatster en Reflexion wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Geen post-contractueel concurrentieverbod besloten in de loyauteitsplicht van een bestuurder – Cass. 25 juni 2020

· Olivier Vanden Berghe / Charlotte Dillemans

In een cassatiearrest van 25 juni 2020 (nr. C.18.0144.N) boog het Hof van Cassatie zich over de vraag of er op een bestuurder van een vennootschap een post-contractueel concurrentieverbod rust op grond van een loyauteitsplicht die volgt uit de verplichting het mandaat van bestuurder te goeder trouw uit te voeren. Aan de grondslag van het arrest ligt een geschil tussen een vennootschap en haar gewezen bestuurders. Weldra meteen na de beëindiging van hun mandaat benaderden de gewezen bestuurders de klanten van de vennootschap met de bedoeling om met deze klanten een klantenrelatie aan te gaan. Het Hof van beroep te Antwerpen stelde dat het concurrentieverbod in principe eindigt wanneer de bestuurdersovereenkomst beëindigd wordt, maar dat er ook na de beëindiging van deze overeenkomst een zekere nawerking van de goede trouw is, zodat in die periode de loyauteitsplicht met inbegrip van het concurrentieverbod behouden blijft. Het Hof van beroep stelde de periode van nawerking van het concurrentieverbod vast op twaalf maanden na het einde van de overeenkomst en verantwoordde dit “verbod van beperkte omvang” door te verwijzen naar de nauwe betrokkenheid van de gewezen bestuurders bij het bestuur van de vennootschap, een kleine vennootschap met intuitu personae karakter. ...

Lees de bijdrage